Indien werkgever en werknemer in onderling overleg besluiten om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, worden de afspraken meestal opgenomen in een vaststellingsovereenkomst. In deze vaststellingsovereenkomst wordt vaak ook een artikel betreffende de finale kwijting opgenomen.

Partijen nemen een dergelijke bepaling op om ervoor te zorgen dat alle mogelijke aanspraken uit de arbeidsovereenkomst zijn geregeld in de vaststellingsovereenkomst zodat een van beide partijen op een later moment niet meer wordt geconfronteerd met vorderingen uit de beëindigde arbeidsovereenkomst.

In een zaak waar de Kantonrechter Utrecht over diende te oordelen, waren partijen in een vaststellingsovereenkomst finale kwijting overeengekomen. De vraag was of dit voldoende was om de vordering van de werknemer tot uitbetaling van vakantiedagen te pareren.

Feiten
Werkgever en werknemer waren een beëindiging met wederzijds goedvinden overeengekomen per 1 december 2013, onder toekenning van een vergoeding aan werknemer. De werknemer zou daarbij tot het einde van het dienstverband vrijgesteld zijn van werk, onder uitbetaling van salaris met vakantiegeld. De finale kwijting die partijen overeenkwamen luidde als volgt:

“Partijen verklaren na uitvoering van het bovenstaande niets meer van elkaar te vorderen te hebben en verlenen elkaar finale kwijting voor alle aanspraken uit hoofde van de dienstbetrekking. Voor zover een partij uit hoofde van de dienstbetrekking toch nog niets van de andere partij te vorderen zou hebben, dan doen partijen door ondertekening van deze overeenkomst uitdrukkelijk afstand van enig recht daarop.”

Partijen hadden onderhandeld over de beëindigingsovereenkomst waarbij werknemer werd bijgestaan door een gemachtigde en partijen hadden het gehad over de beëindigingsdatum, de hoogte van de vergoeding, de verschuldigdheid van studiekosten en teruggave van de leaseauto. Geen onderwerp van gesprek was de uitbetaling van verlofuren geweest. Toen werkgever de opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen met de eindafrekening niet uitbetaalde, vorderde de werknemer deze uitbetaling alsnog.

Kantonrechter Utrecht
De werknemer stelde dat de afrekening van zijn niet genoten verlofuren bij de ‘normale afrekening’ van zijn dienstverband hoorde. Nu daarover in de vaststellingsovereenkomst geen afwijkende afspraken waren gemaakt, moest de werkgever die gewoon uitbetalen. De werkgever was echter van mening dat de verlofuren niet betaald hoefden te worden nu daarover geen concrete afspraken waren gemaakt en partijen finale kwijting waren overeengekomen.

De Kantonrechter Utrecht oordeelde dat de overeenkomst uitgelegd moet worden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Het gaat dus niet alleen om de taalkundige uitleg, maar ook wat partijen bedoeld hebben bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter oordeelde dat partijen een duidelijke bepaling omtrent de finale kwijting hadden opgenomen. Nu de werknemer daarbij ook vanaf het eerste stadium was bijgestaan door een gemachtigde, mocht de werkgever erop vertrouwen dat werknemer zijn aanspraken op uitbetaling van het verlofsaldo had laten varen door het overeenkomen van de finale kwijting. De kantonrechter overwoog daarbij dat het bij het treffen van beëindigingsregelingen bepaald niet ongebruikelijk is dat de werknemer wordt vrijgesteld van werk, maar dan wel wordt geacht eventueel nog openstaande verlofuren te hebben opgenomen.

Let op!
Waar in het verleden kantonrechters vaak oordeelden dat het risico van onduidelijke bepalingen omtrent de finale kwijting en het onbesproken laten van bepaalde vorderingen voor risico van de werkgever moesten komen, oordeelde de kantonrechter Utrecht onlangs tegengesteld. Het was de werknemer, bijgestaan door een gemachtigde, die expliciet aan de orde had moeten stellen dat hij zijn vakantiedagen uitbetaald wilde hebben. Nu de werknemer dat niet had gedaan, viel deze aanspraak onder de finale kwijting.

Deze uitspraak wijst er nogmaals op dat het in het kader van onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst belangrijk is dat alle mogelijke vorderingen en onderwerpen worden besproken. Indien tijdens onderhandelingen alles wordt besproken, wordt voorkomen dat een partij op een later moment voor verrassingen komt te staan.